XXXII.
Ik smeek mijn Hoorders nu eens dubbel op te letten,
Gij raadt volstrekt niet, wat er komt van dat raketten!
't Spel is nog altoos en met geestdrift aan den gang,
En duurt de lieve maagd voorzeker nooit te lang,
Want hij weet telkens iets aan zijn volant te zeggen,
Om aan de voeten der geliefde neer te leggen.