XIX.
Hij was het van natuur. Zijn hart leek als een luite,
Die staag het diepst gevoel in vreemde trillers uitte,
Vol liefde, toorn of scherts of weemoed, of dit al
Te zaam. Goed was hij meest en zacht, doch bij geval
Kon hij zeer vreemd, zeer bar, zeer grillig zich vertoonen -
Maar wie hem kende moest zijn dwaasheên wel verschoonen.