LVII.
Maar dat 's van later zorg! Nú.... is het Sint-Niklaas,
En - 'k hoor reeds in den gang, dunkt mij, een vreemd geraas,
Iets, als 't rinkinken van een keten. ‘Hij zal 't wezen,’
Staat in het schichtig oog van 't jonge volk te lezen.
Toch houdt zich ieder taai en zucht: ‘Ik ben niet bang.’
‘Courage!’ roept een oom, en 't Sint-Niklaas-gezang
Wordt aangeheven met veel trillers in de toontjes,
Veel blikken naar de deur, veel lelies op de koontjes.