XXXVIII.
Goddank, hij weet bij tijds zijn klepper in te toomen,
De hoefslag lost zich op in 't ruischen van de boomen.
Hij stapt van 't paard, hij treedt voorzichtig, zachtjes, slim,
Tot aan 't balkon - de held berekent al den klim -
't Is nog zoo hoog niet - stil - hij lispelt: ‘o Charmante!’
- Nog is het katje grauw.... daar brult de Gouvernante!