XXXII.
Maar ducht ik voor mijzelf dat natste der klimaten,
'k Heb toch mijn Holland lief, gelijk een visch zijn graten.
Ik ben er om-, er aan-, er in-, er doorgegroeid,
Ik zwem al door het nat, daar 't land van overvloeit,
En schoon heel koûlijk, 'k heb nog altijd stof tot danken,
Dat 'k niet bij d' ijsbeer aan de Noordpool zit te janken!