VIII.
Maar nooit, schoon 'k anders wel eens met de luî mag gekken,
Nooit zou ik wagen dat gezicht haar na te trekken,
Dat, toen haar voetjen, op haar kamer, vóór 't soupé,
Juist over 't lief cadeau van onzen jonker gleê,
Zij, bij die vondst en ná die lezing, heeft getrokken,
Zij leegde haar karaf, - ze was fameus geschrokken.