II.
En dus, al zou 'k er ook maar onbeschaamd om liegen,
'k Zou, lieve Hoorders, eer u twintigmaal bedriegen,
Dan u te martlen, dan een droeven maagdevloek,
Te laden op mijn hoofd, bij 't einde van mijn boek:
'k Zag liever, u ter eer, een honderd paren trouwen,
Op 't eind, dan dat ik om een enkel u liet rouwen.