XXV.
'k Trok tegen u te velde, o nare muizenesten
En grillen, die het brein verwarren en verpesten!
'k Trok tegen u te velde, o dwazen, droeven zucht
Van knaap en maagd voor al wat vreemd is in de lucht!
'k Gaf iedereen een neus en lessen in vrijage,
Ik rijmde dier op zwier en page op bosschage!