IX.
't Werd, toen zij thuis was, al wat lichter op de kust;
Zij nam een stoel bij 't bed en zette zich ter rust -
Gansch rustloos. 't Matte hoofd zonk op de peluw neder;
Gedachten trokken door haar ziele heen en weder;
Het scheen als werd haar hart gefolterd door verwijt:
En peinzend, bij zich-zelf, sprak zij van tijd tot tijd:
‘God! wat zal 't wezen, als hij t'huiskomt? Is zijn leven
Dan nog niet zwaar genoeg? Vijf kindren brood te geven -
Dat is een post! Als hij mij slaat, mijn beste vriend,
Dan zal ik zeggen: Ga uw gang. 't Is wel verdiend!
Het was verkeerd. - Neen toch, 't was goed. Maar zonder vragen?...
Is hij daar? Neen nog niet. 't Eind zal de lasten dragen -
't Is onverstandig... O daar is hij!... Wat is 't dan?
Het is de wind vast. Des te beter! - - Lieve man,
Ik placht toch altijd naar uw thuiskomst te verlangen!...’
Hier steeg een droeve blos op Geertes bleeke wangen
En zwijgend zonk zij weg in doffe mijmerij,
En hoorde niets meer, noch het stijgen van 't getij,
Noch 't akelig gekras der raven langs de stranden,
Maar staarde voor zich heen met saamgevouwen handen.
Fluks opent zich de deur met luid en blij gedruis,
En hartlijk, vroolijk, in den drempel van het huis
Staat Huib, door 't druipend net gevolgd.
Met wierp de morgen
Zijn licht door de open deur, in 't kluisje zoo vol zorgen.