XIII.
Hij ziet in 't hakhout niets dan monsters, kleine dwergen,
Met Amorsboogjes, die hem onophoudlijk tergen;
Ha! daar 's nog uitkomst in den vijver, die hem noodt,
Met lisplend golfgeruisch, te rusten in zijn schoot.
Maar hij bedacht zich, wijl het denkbeeld oud en plat was,
En mooglijk ook wel - wijl het water koud en nat was.