XXVI.
Bekrompen als een best, die eeuwig kousen stopt,
En - bij een onweêr - om haar oude zonden tobt;
Hij knort, als hij verliest, een flauw partijtje spelend,
Is bar konservatief en radikaal vervelend;
Kortom een dwaas figuur in deze triestige eeuw,
En ook nog.... Ridder van den Nederlandschen Leeuw!
En dát 's nu juist zijn fort! want mijn gelukkig vrindje
Sprak van zijn geeltjes graag, maar liever van zijn lintje.