XXXIV.
Het was een hartstocht van mijn ridderlijken jonker,
Te zwerven door het woud, bij 't scheemrend zomerdonker,
En nauwlijks ziet hij 't ros, of brengt een vluggen groet
Aan heel 't gezelschap, plukt een roos en grijpt zijn hoed,
En met een wipje springt en glijdt hij in de beugels,
In de ééne nog 't raket, in de andere hand de teugels.