Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

IV.

Ach! 't lot dier arme vrouwen, Die meer dan goed en goud staâg wind en zee betrouwen! Niet waar? 't Is hard, 't is wreed, ook voor 't gestaald gemoed, Te denken: al het mijn.... mijn ziel, mijn vleesch, mijn bloed, 't Is in dien bajert dáár, te midden der gevaren, Ten prooi aan 't wild gediert der losgebroken baren; En dat de valsche golf met al die hoofden speelt, Het jongske, dat voor 't eerst in 's vaders zorgen deelt, Als zijn verzorger-zelf bedreigt; en dat de Winden Daar boven hen in 't ruim de dolle tres ontbinden, Opspelende in de pijp; en dat ze op dezen stond Misschien in nood zijn of verzinken in den grond, En dat men nooit recht weet, helaas, noch wáár zij zwerven, Noch wát zij doen: niet of ze zingen, dan wel sterven:

En dat om 't hoofd te biên aan heel dien Oceaan, Een wrak, een fladdrend zeil dien mannen moet volstaan... O angst! Ook ziet, zij gaan en roepen langs de stranden Den vloed toe: geef ze ons weer! en wringen droeve handen,.... Maar golf aan golf bruist voort... geen antwoord op haar beê, Dan de onbestemde klacht der rustelooze zee.

En Geerte heeft een zorg te meer nog. Op de golven Als in het rouwfloers van den donkren nacht bedolven - Is hij gansch zonder hulp. De jongens zijn nog kleen; Ach, waren ze maar groot - zoo denkt zo - hij 's alleen....

Stil, moeder! als ze straks met vader mee gaan varen, Roept gij den tijd weerom toen zij nog kindren waren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.