XXV.
Lord Byron!... o wat knaap, die zijn gekrulde haren,
Wild als de wildheid van zijn zestien, achttien jaren,
Ooit sierlijk golven leit op d' avondwind in 't woud,
Wiens oogblik heerschen kon, wiens harte, vrij en stout,
Zich blindlings overgaf aan de Eerzucht, kind der Weelde,
Wien ooit het algemeene en 't Daaglijksch Brood verveelde;