LXXXIII.
Des Ridders voorhoofd werd beneveld door een wolk,
Dat hij behandeld werd precies als 't jonge volk;
Hij vond het eigenlijk heel naar en kinderachtig,
En zulk een wijs van iets te geven vrij omslachtig;
Hij dacht, het ding was een surprise van zijn vrouw,
En hield zich eerst of hij het straks wel oopnen zou....
Maar kom, hij wil de vreugd van avond niet verstoren,
Het lakje vliegt er af en - opent thans uw ooren!