XIII.
Trekvogels zijn ze, die vaak de eêlste Delftsche duifjes
Meevoeren als hun schat, hun kroon, hun prooi, hun kluifjes;
Wreed - als de lammergier, die, hoe de moeder treurt,
Het eenig ooilam aan haar droeve borst ontscheurt.
De waarheid evenwel dringt mij er bij te voegen:
Het lammetje neemt, in dat scheuren, ook genoegen!