XXXIX.
Stort in, o marmer, stort op mijn bedorven jonker!
Verschuil u, zilvren maan, kwijn weg, o stargeflonker!
Verberg voor eeuwig in uw boezem, donkre nacht,
Zijn jammerlijk figuur, dat hij zoo schittrend dacht!...
't Is mis, de lucht blijft klaar, de maan komt weer en grinnikt
Vol helschen spot, de wachthond blaft, de klepper hinnikt...