XVII.
‘Keer weer’ vermaant hem 't lied der jonge boschkoralen;
‘Vergifnis’ spreekt de glans der koesterende stralen,
Opdagende uit het oost, en 't lelietje van 't dal
Mengt ook een zacht akkoord in 't lieflijk toongeschal,
En leert hem, hoe hij stil en needrig en bescheiden,
Op boete en diep berouw zijn Trots moet voorbereiden.