I.
Mijn Hoorders, 'k wil geen kwaad van gouvernantes spreken,
Zelfs niet, al zou het zijn om mij van kwaad te wreken!
Daar zijn er, die ik eer met liefde en stil ontzag;
Daar zijn er anderen, die ik wel lijden mag;
En met de meesten heb ik innig medelijden,
Al zijn ze ook taai en saai, beschouwd van alle zijden!