XIV.
Mijn trouwe Hoorders, ik beging hier plagiaten,
Één van Barbier, één van Lord Byron - wie kan 't laten?
De ideën waren mooi, ze dwaalden in mijn hoofd,
En dwaas hij, die nog aan oorspronklijkheid gelooft!
De mooíste verzen zijn van anderen gestolen;
Vertrouwt de knaapjes niet, die graag in 't donker dolen!