LXIII.
Gij glimlacht niet, hoe nu? Gij schudt den kreeglen kop!
Gij mompelt; ‘dat is flauw! wie haalt die dingen op?
't Komt niet te pas!’ - aha, meneer is 't al vergeten?
Meneer wil liever van zijn lieve jeugd niet weten;
Meneer verdiende nooit een gard en steeds een prijs,
Ja, was als kind en knaap reeds deftig, groot en wijs,
Meneer is nimmer jong en dwaas geweest te voren,
Maar met een rok, een bril en parapluie - geboren!