II.
En thans? mijn uchtendlied stijgt als mijn avondbede: ‘Heer, laat mij arm van geest, en rijker zijn van hart!’ En thans? een koelte Gods, een adem van zijn vrede Ruischt om mijn twijflend hoofd en heelt mijn zondesmart.
Ik voel mij iedren dag een wankle schrede nader Tot u, o bloedig kruis, tot u, o reddend Vader, Al ben 'k bij die van verre staan; Ook die van verre zijn, zij mogen zonder schromen Tot U, die nimmer ver, die steeds nabij zijt, komen: De vreemden neemt Ge als zonen aan.
Nu is mij de aarde lief, en dierbaar werd mij 't leven, En hopend staart mijn blik op 't bloeiend levenspad: Mijn arme ziel kreeg rust, een rust van God gegeven, Ofschoon mijn jonkheid Hem vergat. o Overvloedige! hoe voedzaam is uw zegen! Het leven is woestijn - daar daalt uw mannaregen, Het water stroomt uit elke rots! Hoe heerlijk is nu de aard! hoe warm gij, zonnestralen, Waar Hij die aard bezielt, - waar gij in 't hart koomt dalen, Als 't koestrend vuur der liefde Gods!
Daar spreekt een andre lach in 't oog der aangebeden', Waar gij haar drukt in d'arm als 't zoetst geschenk van God; De vriendschap heeft, met Hèm, verhoogde teederheden, De luite een reiner klank, en 't leven meer genot; Daar is geloof en hoop bij iedre star te vinden, Daar spreekt een geestenstem in 't lied der najaarswinden, In lentezang en wiekgeklep.... Maar ook, o menschengeest, die op uw aadlaarsreizen Den gouden sleutel vondt der wonderen-paleizen, Ik weet geen rust dan bij een kreb!
En uit die krebbe klinkt één lied, één last u tegen: Welzalig de armen Gods en de armen naar den geest; Wie zich het diepst verneêrt, ontvangt het hoogst den zegen, Wie 't minst bezit, ontvangt het meest. o Laat me, bij dat woord, het hoofd ter ruste vlijen, Zacht, als een zalige in den schoot der englenreien, Wier vleugel hem een tente spreidt! Laat me op de zee der eeuw mijn zeilsteen niet verliezen, Laat mij geloof met rust, voor trots en kennis kiezen: - Uw kennis, God! is zaligheid!
Zoek eerst, o zondaar, zoek het Koninkrijk des Heeren, En al het andre wordt geworpen in uw schoot: Wie aan zijn poorte klopt, hij zal niet ledig keeren: God geeft geen aalmoes, geeft geen brood! Hij schenkt de volheid van zijn beste zegeningen; En somtijds geeft Hij aan zijn arme stervelingen Ook levenslust bij hemelrust, En hecht hun hart aan de aard met meer dan aardsche banden, Die Hij eens zelf ontknoopt met de eigen vaderhanden, Die ginds de heilige engel kust
1848.
Cookies on Poetry Cove