XXXV.
Doch, om nu eindlijk eens geregeld te beginnen,
Wijkt, spoken, uit mijn lied en droeve tusschenzinnen!
't Was Maildag dan te Delft, in Slachtmaand van het jaar...
Dat u belieft; dat moet gij vinden met elkaêr;
En als gewoonlijk deed, omtrent de middagstonde,
Langs zeekre Delftsche buurt, de Brievenboô zijn ronde.