XXXVII.
Voor mij althans (hoe egoïst) ik luister wel
Zoo graag en grager nog naar 't klinglen van de bel,
Die nu gedurig roept en 't lied der kindren zwijgen
En op hun schuw gelaat een aardige' angst doet stijgen.
De schel op Sint-Niklaas is als een tooverfluit
En zoet in 't oor der maagd als 't lied van 's minnaars luit;
Pas klinkt haar stem en streelt de hooggespannen zinnen,
Of dienstbre geesten met kadeautjes stroomen binnen.