Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

XXXVII.

Voor mij althans (hoe egoïst) ik luister wel Zoo graag en grager nog naar 't klinglen van de bel, Die nu gedurig roept en 't lied der kindren zwijgen En op hun schuw gelaat een aardige' angst doet stijgen. De schel op Sint-Niklaas is als een tooverfluit En zoet in 't oor der maagd als 't lied van 's minnaars luit; Pas klinkt haar stem en streelt de hooggespannen zinnen, Of dienstbre geesten met kadeautjes stroomen binnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove