XIII.
Het was dan Sint-Niklaas. 't Is feest in stad en huis.
De straten zijn vervuld van 't woelig koopgedruis,
En menig woning vol verwachting en gezangen:
De kindren vol respekt, de meisjes vol verlangen.
Geen jonge bruigom, die zoozeer naar de' avond smacht,
Als menig schalke knaap dees grooten avond wacht,
‘Plein de mystères;’ zoo niet de eerste twijfelingen,
Reeds schuldig en waanwijs, zich in zijn hartje dringen.