VIII.
O grijze steenen Reus! wat zaagt ge al, dat ik garen
Gezien had, met u mee, in langvervlogen jaren,
Toen, rijk en machtig nog, uw oude prinsestad
Den kleenen hofstoet van dien Willem hield bevat,
Die pal stond óók als gij te midden van de orkanen,
En Neerlands schittrende Eeuw het purpren spoor moest banen!