XXIV.
O, mocht ik in den geest des lieven grijsaards spreken,
Tot u, o lie ve jeugd, en van uw domme streken,
Op mijn besneeuwde kruin 't kalotje van fluweel,
'k Gaf elk van ernst en boert een evenmatig deel -
('k Ben ondertusschen blij, dat 'k voege bij de jongen,
En had u anders vast dit lied niet voorgezongen).