XVII.
Geen tranen dan, in 't oog - maar luimig, opgewonden,
Ontsteld is onze vriend straks plotseling verzwonden,
Bij de aankomst van den brief. Hij scheen u vast, niet waar?
Een zonderling, in taal en houdíng vrij bizaar?
Uw menschenkennis eer! doch vatten wij elkander:
Een Zonderling is een; een Quibus is een ander.