XXXVI.
Een ieglijk neemt zijn plaats, de dames aan den disch,
De heeren aan den haard; de konverzatie is
Het weêr en 't pootje steeds. Straks zullen onze heeren
Zich mooglijk om den staat der fondsen alarmeeren...
Wij luistren liever niet, tenzij des ridders neus
Tot paarschheid overslaat, dan wordt de zaak kurieus.
Voorts weten we allen dat Jan Helmers' groote Natie
Niet machtig groot is in de kleine konverzatie!