Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

I.

Arm moedertjen is zoo alleenig, Arm moedertjen is zoo bedroefd, De Vader, Dien zij dankte, Heeft haar zoo zwaar beproefd.

Zij staart in 't verlatene wiegje, Op 't speelgoed nog zwervend in 't rond; Daar ligt zijn popje: zij kust het Met bleekbestorven mond.

Haar armen zijn ledig, zoo ledig! Weg, al haar levenslust! Haar huis is uitgestorven; Zij heeft noch zorg, noch rust.

‘O vrouwe, hadde uw ziele Nooit moedervreugd gekend, - Zoo waart ge vreemd gebleven Aan deze lange ellend!’

Zij wringt de witte handen, Ziet op, en peinst en schreit En stamelt: ‘Neen, ik dank nog: Mijn rouw is heerlijkheid!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove