XX.
En 's middags in het vuur der zomerzonnesteken,
Vroeg daar een Poetling, voor het hek, mevrouw te spreken:
Men weigerde in het eerst den armen knaap gehoor,
Maar hij hield aan, hij riep en smeekte, hij drong door,
Ach, zoo één losbol ooit, was hij vergifnis waardig,
Zoo bleek, ontdaan, vermoeid, bekeerd, verliefd, boetvaardig.