XXXVI.
En voor het raam van zeker huis stond in gedachten,
Een zeekre Delftsche Vriend, - gij meent, zijn brief te wachten?.
Geenszins. Hij volgde alleen des Briefbestellers gang
Met peinzend oog en - zuchtte op eenmaal dreigend lang:
‘Als toch die vent me ooit hier een brief uit de' Oost bestelde,
Dan..’ Juist stond daar de vent op stoep en - Goôn! - hij belde!