CXIX.
Helaas! ik zeg misschien de waarheid - als een kind!
Maar 'k ben Goddank, zóo dom, zoo ijdel niet, zoo blind,
Dat 'k ooit een eenig mensch zal om zijn knoopsgat eeren:
Doch lust het u, als mij, de kwestie om te keeren,
En vraagt gij: of ik, om een groot en eerlijk man,
't Bewijs van adel, zij 't een lintjen, eeren kan?
Dan scheiden wij in vrede, en, hoorders, wat verander',
Ziedaar mijn rechte hand, want wij verstaan elkander.
1849.