Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

X.

‘Gij daar!’ - en Geerte vliegt haar echtvriend om den hals, En kust de borst en 't buis des kloeken visschers, als Een vuurge minnares. Hij: ‘wijfje, ik heb u weder!’ En op zijn voorhoofd blonk zijn hart zoo sterk als teeder, Vol liefde en dies vol licht. Zij: ‘En hoe was 't op zee? Het weer?’ - ‘Slecht.’ - ‘En de vangst?’ - ‘Valt zeker je niet mee! De zee is als het woud. Hoor, kind, ik ben bestolen! 'k Geloof, de duivel zelf zat in den storm verscholen. Ik ving geen katvisch, niets. Ook is het net onklaar. Doch zie je, ik heb je weêr, en dat's het eerste maar! Wat nacht! Het scheen te-met, bij 't schriklijk golvenspoken, Of 't naar den kelder ging! Ook is mijn touw gebroken. Maar man en schuit zijn thuis. Nu, wat hebt gij gedaan?’ - En Geerte ontstelde: - ‘Ik? niets!’ - een huivring greep haar aan - ‘Dat net gelapt... en dan geluisterd... naar de vlagen... Aan u gedacht... 't zijn donkre nachten, donkre dagen!’ - Zij zweeg een poos en toen, daar vast bij ieder woord Haar stemme beefde, als van wie schuld heeft, ging zij voort: ‘Onz' buurvrouw, weet ge, die al lange heeft gelegen

Staêg met de koorts, die is gestorven. Gistren tegen Den avond is 't gebeurd, of wel van nacht. Zij laat Twee kleine kindren na, twee stumpertjes. Dat praat Of loopt nog noô. Het is een meisken en een knaapje, En 't meiske heet Margriet - en 't jongste dat heet Jaapje; Zij had het arm, hoor....’

Huib keek ernstig voor zich heen En wriemelde in zijn vuist zijn ruige muts ineen. ‘Ha, duivelsch!’ - peinsde hij - ‘Vijf en nog twee, dat 's zeven! Hoe moet, hoe zal dat gaan? Wij hadden 't toch aleven Niet breed, en in den slechten tijd was 't nu en dan Al met een leege maag naar kooi... 't Ga zooals 't kan! Dat is mijn zaak niet. Dat moet Hij daarboven weten, Die heeft gezegd, dat Hij geen weezen zal vergeten! Waarom - de vader ligt nog pas in 't groote graf - Neemt Hij die wurmpjes dan nu ook hun moeder af? Dat 's hard! dat 's duister... Stil, de Heere zij geprezen, Maar wie 't begrijpt... nu, hoor, daar moet je een bol voor wezen! Te zeggen: - Voort en werkt! dat gaat hier niet... zoo kleen!

Vrouw, ga, en breng ze hier! Ze zetten 't, als ze alleen Ontwaakten bij dat lijk, van schrik nog op een loopen! Din moeder klopt bij ons! Doen wij haar kindren open! En laat ze als zusje en broer met de andren zijn.... Geen nood! Dat kan hier wriemelen, dat klautert op je schoot Des avonds: wat een pret! Ook merkt Hij 't, dat je er zeven

Op eens, in plaats van vijf, hier daags de kost moet geven, Al reken je er niet op... licht geeft de lieve Heer Dan ook wat ruimer vangst voor die twee mondjes meer, Voorts drink ik water en ik werk met dubble krachten! Kom, haal de kindren! loop!... Wat is 't? Dus in gedachten! Te duivel, vrouw, ben jij er tegen bij geval....’

Maar Geerte vliegt naar 't bed en juicht: ‘Ze zijn er al!’.

(Victor Hugo.) Dec. 59. / Jan. 60.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove