XXVIII.
Maar Vaderliefde is trouw en innig, altoos heilig,
Verheven boven 't lot, voor aardsche wissling veilig!
Zij heeft iets hemelsch, zij! - Nu weet ik waarlijk niet
Of ook mijn Delftsche vriend kon schildren in een lied,
Wat hij gevoelde voor zijn lieve rozenwangen -
Doch hij gevoelde wat ik schilderde in mijn zangen.
Delft, Nov. 1858.
(Wordt nooit vervolgd, - maar de schrandere Lezer zal wel geraden hebben, dat de Anti-Oosterling, ïn wien men een Type van Jalousie paternelle had willen schilderen - gij kent Scribes aandoenlijke Comedie? - bestemd was, om door een zijner dochters, wier hart alreeds van Java droomde, - zich-zelven verloochenende, tot een vurig Liefhebber onzer kolonie bekeerd en met sympathie ‘voor al wat oostersch is’ bezield te worden. De andere dochter - type van kinderlijke liefde - zou, in mijn verhaal natuurlijk, een diepe genegenheid hebben opgeofferd om haar vader niet alleen te laten. - Wat dien bewusten brief betreft - doch mijn P.S. dat u niet interesseert, is reeds veel te lang.)