XCIII.
‘Wel ja, dat's aardig!’ - zegt de Ridder - ‘goed bedacht!
(Straks hoor ik wel hoe gij het toch heb meêgebracht!’)
Hij keek gedurig naar Mevrouw, als woû hij zeggen:
‘Ik weet van u dat gij mij alles uit zult leggen
- Op 't oogenblik.’ Nu had de man het veel te druk,
Hij kon niet denken in den roes van zijn geluk,
Ook heerschte er zulk een drift en spanning bij de scharen,
Dat verdre praatjes hier bepaald onmooglijk waren.