VI.
Zij treedt het stulpjen in, 't lantarentje' in de hand;
De regen druipt door 't dak en zijpelt langs den wand
Der kille kluis. Zij zoekt met angstig mededoogen
In 't rond.... daar in den hoek ligt, voor haar starende oogen,
Een schriklijk voorwerp, stijf, bewegingloos, half naakt...
Een lichaam, door den dood verwrongen en mismaakt...
Het lijk van haar die ze eens als wakkre moeder kende,
't Afzichtelijke spook der uitgeteerde ellende,
Wat daar van de armoe rest, na de aardsche worsteling!
Haar hand, haar magere arm, reeds blauw, loodkleurig, hing
Ten bedde uit. Angst en schrik scheen om dien mond te zweven,
Half opgesperd, waarmee, bij 't scheiden van dit leven,
De geest dien stervenskreet geslaakt had, die omhoog
In de eeuwigheid weerklinkt.
Bij 't bed - nog onder 't oog
Van 't moeder-lijk - lag daar heur tweetal, zusje en broeder,
In de eigen wieg, in rust, glimlachend.
De arme moeder,
Bij 't naadren van den dood, had - jongste teederheid! -
Haar mantel en haar dek op 't wiegjen uitgespreid,
Opdat, als doodskou haar de leden deed verstijven,
Haar kroost, zoo goed het kon, verzorgd mocht achterblijven.