I.
't Is nacht. De hut is klein, niet rijk, maar warm en dicht,
't Vertrek vol schaduwen; - toch voelt gij 't, als een licht
Der liefde speelt er door met koesterende stralen;
De schoorsteen draagt den schat van bontgekleurde schalen,
En 't vischnet - 't wapen der familie - tooit den wand.
Ginds in de diepte rijst het oude ledikant,
Een erfstuk vast; en op de stroomatras daarneven,
Op banken uitgespreid, rust zacht het jonge leven,
Vijf kleine kindren. Spijt het ver verloopen uur,
Waakt in den haard nog steeds de rosse vlam van 't vuur.
Nog ééne waakt: een vrouw alleen - met duizend zorgen,
De moeder van die vijf! Ook waakt ze als een die morgen
Een weduw wezen kan, en bij de legersteê
Der kindren knielt ze en bidt.
Daar buiten huilt de zee.