II.
't Lief vrouwtje, slank en schoon,
Gedost in zijden plooien,
Staat, leunende in den vensterboog,
Haar zieltje te verstrooien.
Ze is rijk, ze is jong, zij wordt bemind;
Toch welt er in heur oogen
Een traan, dien vruchtloos 't fijn batist
Gedurig af wil drogen.
Een arme vrouw in 't lompenkleed,
Met ingevallen koonen....
Een kindjen aan de dorre borst,
Vraagt aalmoes van de schoone.
En 't zieklijk wichtje blikt haar aan,
Met zachte, vriendlijke oogen....
Zij neemt haar goud, - maar toeft, - maar staart,
Verwijtende ten hoogen -
En lacht:.... ‘Een aalmoes vraagt die vrouw!
Ben ik dan rijk? Erbarmen
Mijn God! ik, ik heb immers niets,
Zij - schatten, in haar armen!’
1854.