Skip to content
1869

Dichtwerken

P.A. Génestet

II.

't Lief vrouwtje, slank en schoon, Gedost in zijden plooien, Staat, leunende in den vensterboog, Haar zieltje te verstrooien.

Ze is rijk, ze is jong, zij wordt bemind; Toch welt er in heur oogen Een traan, dien vruchtloos 't fijn batist Gedurig af wil drogen.

Een arme vrouw in 't lompenkleed, Met ingevallen koonen.... Een kindjen aan de dorre borst, Vraagt aalmoes van de schoone.

En 't zieklijk wichtje blikt haar aan, Met zachte, vriendlijke oogen.... Zij neemt haar goud, - maar toeft, - maar staart, Verwijtende ten hoogen -

En lacht:.... ‘Een aalmoes vraagt die vrouw! Ben ik dan rijk? Erbarmen Mijn God! ik, ik heb immers niets, Zij - schatten, in haar armen!’

1854.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken · P.A. Génestet · Poetry Cove