XI.
O Bisschop! schoon 'k niet licht een Heilige vertrouw,
Gij zijt een Heilige, dien 'k haast aanbidden zou;
Eén daad van minzaamheid, van weldoen was uw leven,
Uw liefde heeft uw naam de onsterflijkheid gegeven:
Och, dwazen, die een naam, een grooten naam begeert,
Kent gij er een, zoo rein, zoo schoon, zoo stil vereerd,
Die dus, eeuw in eeuw uit, met hartlijkheid bejegend,
In 't hart der kindren leeft, door kindren wordt gezegend?