XXXVIII.
Gij denkt, die bal ligt goed in 't slaapsalet van 't meisje,
En proponeert haar straks een rendez-vous, een reisje,
Een schaakpartij, wie weet! Gij, Hoorders - weet het niet,
De jonker evenmin, en zoo 'k u raden lief,
Ik vrees, dat ge uw geduld al heel gauw zoudt verliezen
En mij liet staan, niet mijn verhaaltjen - in mijn kiezen.