XXII.
Hij wist zoo dwepend van zijn tochten te vertellen,
Dat Mary hem wel graag in stilte eens wou verzellen.
Ook zeî hij, de avond is gezond en koelt mijn hoofd;
- Hij had nog nimmer aan verkoudheid recht geloofd -
Soms sprak hij ernstig van die heilige gedachten,
Die rijzen in de ziel, in slille zomernachten.