XL.
Eerst was Fantasio versteend ter zij geweken,
Hij dacht de Nemesis der romaneske streken
Te aanschouwen, - maar, bij 't licht der opgekomen maan,
Ziet hij met open arm de ‘juffer’ voor zich staan!
- Nu denkt hij niets meer, maar hij gilt en snikt en schatert
Van zenuwachtigheid, dat 't in den omtrek klatert!