XXIX.
En al die dwaasheên zal ik zeggen in mijn lied,
Hoe laf, hoe min, hoe dom. De waarheid schaamt zich niet.
Mij zweeft een eerlijk doel voor onbenevelde oogen,
Maar die niet liegen kan, wordt ook niet graag bedrogen.
Ik moet vertellen wat ik hoorde, wat ik zag;
Ik dien de waarheid trouw, nù met een ronden lach,
Straks met een ernstig woord. - Dies, wat ik mag verlangen,
Is dit: och oordeel niet voor 't amen van mijn zangen!