XXIII.
Nu was hij weder her- en derwaarts heengezworven:
Eerst naar den jager, waar de moeder was gestorven;
Daar sprak zijn teedre ziel een woord van moed en troost,
Hij kuste, met een traan in 't oog, 't verweesde kroost;
De woeste knaap scheen als een Engel in hun midden,
Die God voor 't arm gezin om kracht en hulp kwam bidden.