XVI.
De man is - weet ge 't nog? - de trappen opgevlogen,
Gansch wonderlijk verward, en.... tranen in zijn oogen....
Zou wel goed rijmen, doch niet waar zijn, en ik haat
Onwaarheid als de pest, in proza of op maat.
En schoon mijn broeders, op dit punt, niet willen deugen,
Ik zal mij nooit om 't rijm bezoedlen met een leugen.