II.
Kunt gij 't overvloeiend hart
Niet beheerschen? 't Juk der smart,
't Heilig kruis niet stille dragen?
Móet ge luide uw jammer klagen,
Handenwringen, Waarom vragen?
Uitkomst zoeken in geween?
Ga, beproefde,
Zielsbedroefde,
Gij ook - in den hof, alléén!
Niet voor allen slaak uw klachte;
Voor den Kenner der gedachte,
Voor den Hoorder der gebeên,
Stort uw ziele uit, klaag en ween!
Ween en - bid! en 's Heeren vrede,
- Engel, die vertroostend lacht -
Licht en kracht,
Op uw tranen, op uw bede,
Zullen dalen in uw nacht.
Straks, o gij van God verkwikte!
‘Zalf uw hoofd’ en beur 't omhoog,
Wisch de tranen uit het oog,
Dat den Hemel tegenblikte!
Toon ons geen mismaakt gelaat;
Laat óns in uw kalme trekken,
Van den rouw die niet vergaat,
Dieper 't echte spoor ontdekken!
Eenvoud, waarheid in de smart,
Tuige ons de adel van uw hart.