XXIII.
Neen, wie geen Maildag zag, die kent geen Delftsche zeden!
De kloeke Brievenboô, met vlugge, vaste schreden,
Als 't Noodlot kalm en koel, gaat rond van huis tot huis,
En brengt er vreugde of rouw, in 't mailpapier inkluis,
Dat aan 's mans vingren soms ontgrist wordt door tien handen,
Die sidderen van angst of van verlangen branden.