XCVII.
Toen eindlijk iedereen in 't breed of in het kort,
Een oom, bijzonder vol, het hart had uitgestort,
Toen de eerste roes der vreugde een weinig was geweken,
Toen 't snuisterijtje nog wel twintigmaal bekeken,
En daar bepaald was dat onmiddellijk de faam,
Bij monde van vier knechts, den versch gekroonden naam
Des nieuwen kommandeurs aan al zijn riddervrinden
Zou gaan verkonden naar de hoeken der vier winden;