LXXI.
Die ziet een ulivel - een ander eet 'em op,
Die gooit zijn broêrtje met een halfvertrapten mop
En grist wat beters voor zijn neus weg, daar weêr tuimelen
Zij allen over één, één kraakling!.... en verkruimelen
't Begeerde stuk tot niets! Daar houdt er waarlijk een
Zijn jonger zusje vast bij 't vruchtloos worstlend been;
Al verder ziet ge een heer, die op een vruchtbaar plekje
Onopgemerkt en stil geniet met hand en bekje.